Search

Nieuws groep 4

Dit leren we in de tweede helft van groep 4! 

Wat hebben we in de eerste helft van groep 4 veel geleerd. De nieuwe dingen vlogen om onze oren. In de tweede helft van groep 4 blijven we al deze dingen herhalen en oefenen. Ook komen er een heleboel nieuwe dingen bij. Hieronder staan onze doelen voor de tweede helft van het schooljaar.

 

Rekenen midden groep 4:

Bij rekenen is het erg belangrijk dat we de sommen tot 20 geautomatiseerd hebben. We kunnen meer dan 18 sommen in 1 minuut tijd maken.

  • Memoriseren: *: Plus en min sommen tot 20

  • Sommen tot 100 over het tiental uitrekenen (38+27 via 38+2+5+20/ 54-29 via 54-4-5-20)

  • Getalrij tot 200 verkennen, getallen op de juiste plek zetten

  • Geld: bedragen verdelen tot 200 euro

  • klokkijken: uitbreiden naar 5 voor/over,hoe laat is het een uur/half uureerder/later

  • Tafels automatiseren: tafels van 1 t/m 5 en tafel van 10.

  • Tafels: tafelsommen herkennen in tegelpatronen

  • Meten: meten met cm en m, inschatten van juiste maat.

  • Meten: introductie maat millimeter

  • Meten: een route bepalen op een plattegrond m.b.v. windrichtingen.

  • Meten: een bouwplaat van een doos uit kunnen vouwen en herleiden tot doos.

  • Tabellen: lengte aflezen in een staafgrafiek

  • Tabellen: Aantallen verzamelen en middels turven noteren in een tabel

  • Tijd: klokkijken 5 voor/over

  • Tijd: betekenis van kleine streepjes (minuten) op de klok.

  • Geld: met zo weinig mogelijk briefjes/muntjes gepast betalen

  • Geld: geldbedrag inwisselen voor andere munten/briefjes

  • Geld: een boodschappen briefje en kassabon maken (met keersommen als 4 appels)

 

Spelling:

We herhalen de regels van het eerste half jaar. Ook leren we nieuwe regels.

 

 

 

 

Taal:

  • Grammatica:

    • In een zin het waar-deel vinden of aanvullen (De leeuw is in de kooi)

    • In een zin het wanneer-deel vinden of aanvullen (De fotograaf maakt morgen een foto)

    • In een zin het wie-deel vinden. (Lotje schudt haar hoofd)

    • Een zin inkorten tot alleen wie en wat overblijven (de vis | heeft | kieuwen)

    • Van een vertelzin een vraagzin maken en andersom.

    • Het verschil tussen een beleefde en onbeleefde zin.

    • Een zin langer maken. (Sil leest voor het eten een strip op zijn bed)

    • Lidwoord, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord als groepje.

    • De volgorde van zinsdelen ontdekken in een zin

    • Het voorzetsel vinden in een zin. (Er draait een film in de bioscoop)

       

  • Woordsoorten:

    • enkelvoud en meervoud:boek+en= boeken1 boek, 2 boeken

    • eigennamen in een zin met een hoofdletter schrijven. (In het kasteel in Groningen woont Margriet )

       Het schrijven van een fantasieverhaal, informatieve tekst, persoonlijke brief en recept.

  • Taalbeschouwing

    • Het schrijven van een dialoog.

    • Een verhaal vertellen met een inleiding, kern en slot

    • Leestekens: de plaats van hoofdletters en punten in de zin.

    • Woorden op basis van de eerste twee letters in volgorde van het alfabet zetten.

        
      Schrijven midden groep 4

      • Herhalen van de hoofdletters

      • Blijven letten op juiste pengreep

Vereniging